ECLI:NL:RVS:2024:1673

Raad van State

Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
BRS.24.000101
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vw 2000paragraaf A3/6.3 Vc 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak bewaring vreemdeling wegens onrechtmatigheid en toekenning schadevergoeding

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 21 maart 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de staatssecretaris aan de vereisten van paragraaf A3/6.3 van de Vreemdelingenwet had voldaan. Met name ontbrak het dossierstuk over de correspondentie met het Openbaar Ministerie over de uitzetting, waardoor niet kon worden vastgesteld of op 26 maart 2024 zicht op uitzetting bestond. Dit maakte de bewaring vanaf die datum onrechtmatig.

De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. Wel werd aan de vreemdeling een schadevergoeding van €400 toegekend over de periode 26 tot en met 29 maart 2024. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €2.625, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig vanaf 26 maart 2024 en er is een schadevergoeding van €400 toegekend.

Uitspraak

BRS.24.000101
Datum uitspraak: 24 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 maart 2024 in zaak nr. NL24.12519 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 28 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris aan de vereisten in paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000 heeft voldaan. Niet in geschil is dat de staatssecretaris op 26 maart 2024 bekend is geworden met de uitzettingsdatum van de vreemdeling. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij op 27 maart 2024 contact heeft gezocht met het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en dat het OM heeft laten weten dat zij geen bezwaren had tegen de voorgenomen uitzetting op 29 maart 2024. Maar de vreemdeling wijst er terecht op dat de desbetreffende correspondentie met het OM niet aan het dossier was toegevoegd. Daargelaten of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris in dit geval voldoende voortvarend aan de uitzetting heeft gewerkt, kon zij daarom niet controleren of op 26 maart 2024 nog was voldaan aan de vereisten in paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000 en daarmee of zicht op uitzetting niet ontbrak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3819, onder 1). Dit maakt de bewaring met ingang van die datum onrechtmatig. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt.
2.       De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 26 maart 2024 onrechtmatig te achten.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 maart 2024 in zaak nr. NL24.12519;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 400,00 over de periode van 26 maart 2024 tot en met 29 maart 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2024
846-1017