ECLI:NL:RVS:2022:3819
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens ontbreken OM-akkoord op uitzetting
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 22 augustus 2022 in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat niet duidelijk was of het Openbaar Ministerie instemde met de uitzetting. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Dit omdat er een uitzettingsdatum bekend was en de staatssecretaris verplicht was contact te zoeken met het Openbaar Ministerie. Hoewel de staatssecretaris stelde dat dit contact had plaatsgevonden, ontbrak een tijdige toevoeging van de relevante brief aan het dossier, waardoor de rechtbank niet kon controleren of aan de vereisten van de Vreemdelingenwet was voldaan.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die verband hielden met de behandeling van het hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 20 december 2022.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig verklaard en het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond verklaard.