ECLI:NL:RVS:2022:3819

Raad van State

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
202206013/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000Paragraaf A3/6.3 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens ontbreken OM-akkoord op uitzetting

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 22 augustus 2022 in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat niet duidelijk was of het Openbaar Ministerie instemde met de uitzetting. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Dit omdat er een uitzettingsdatum bekend was en de staatssecretaris verplicht was contact te zoeken met het Openbaar Ministerie. Hoewel de staatssecretaris stelde dat dit contact had plaatsgevonden, ontbrak een tijdige toevoeging van de relevante brief aan het dossier, waardoor de rechtbank niet kon controleren of aan de vereisten van de Vreemdelingenwet was voldaan.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die verband hielden met de behandeling van het hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 20 december 2022.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig verklaard en het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond verklaard.

Uitspraak

202206013/1/V3.
Datum uitspraak: 20 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 oktober 2022 in zaak nr. NL22.16517 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat onduidelijk was of het Openbaar Ministerie (hierna: OM) akkoord was gegaan met het uitzetten van de vreemdeling. In dit geval was er een uitzettingsdatum bekend, waardoor de staatssecretaris gehouden was om contact te zoeken met het OM. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 12 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:293, onder 3.2 en 3.3. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat hij dat heeft gedaan. De desbetreffende brief aan het OM was echter niet tijdig aan het dossier toegevoegd. De rechtbank kon daarom niet controleren of was voldaan aan de vereisten in paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000 en daarmee of zicht op uitzetting niet ontbrak.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2022
873-1017