ECLI:NL:RVS:2024:1697
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens te vroeg ingediend ondanks gemeentelijke voorlichting
Verzoeker, met de Syrische nationaliteit, diende haar naturalisatieverzoek op 2 juli 2020 in, ruim vóór het vereiste van vijf jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf in Nederland op 10 augustus 2020. De staatssecretaris wees het verzoek af omdat aan dit vereiste nog niet was voldaan. De rechtbank oordeelde dat er bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van dit vereiste rechtvaardigden, mede omdat de burgemeester van Leiden verzoeker niet had ontraden het verzoek in te dienen, ondanks het beleid dat dit zou moeten gebeuren.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat hij beoordelingsruimte had om niet af te wijken van het vereiste en dat de rechtbank dit niet had erkend. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat de staatssecretaris beoordelingsruimte heeft, maar oordeelde dat de handelwijze van de burgemeester, die het verzoek bewust vasthield tot verzoeker aan de materiële vereisten voldeed, niet ten nadele van verzoeker mocht werken.
De Afdeling vond het onzorgvuldig van de staatssecretaris om het verzoek af te wijzen enkel omdat het feitelijk te vroeg was ingediend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen en de proceskosten vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de staatssecretaris het naturalisatieverzoek niet had mogen afwijzen vanwege de handelwijze van de burgemeester.