ECLI:NL:RVS:2021:2571
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens verblijfsgat ondanks beroep op bijzondere omstandigheden en vertrouwensbeginsel
Appellant verzocht om naturalisatie, maar de staatssecretaris weigerde dit omdat zij niet onafgebroken vijf jaar rechtmatig in Nederland verbleef. Een verblijfsgat van ruim zes maanden tussen twee verblijfsvergunningen was vastgesteld.
Appellant stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals huiselijk geweld en het feit dat zij onafgebroken in Nederland woonde, een uitzondering rechtvaardigden op de wettelijke vereisten. Ook voerde zij aan dat zij als slachtoffer van huiselijk geweld met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning had moeten krijgen en dat zij zich op het vertrouwensbeginsel kon beroepen vanwege een vermeende toezegging van de gemeente.
De Raad van State oordeelde dat artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap slechts in zeer bijzondere gevallen en terughoudend kan worden toegepast. De verblijfsgap van zes maanden leidde tot verlies van opgebouwd rechtmatig verblijf, maar dit was onvoldoende schrijnend om af te wijken van de wettelijke eisen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezegging van het bevoegde bestuursorgaan was gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard vanwege het verblijfsgat en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.