ECLI:NL:RVS:2024:1733
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De vreemdeling heeft bij besluit van 5 november 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke is afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 10 mei 2022 het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens het hoger beroep werd een iMMO-rapport overgelegd dat dateert van na de uitspraak van de rechtbank. Dit rapport kon echter niet worden betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep vanwege de dwingende objectregel van artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling werd gewezen op de mogelijkheid dit rapport te gebruiken bij een nieuwe asielaanvraag.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die beantwoord moesten worden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.