ECLI:NL:RBDHA:2024:4902
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faciliterend visum voor meerderjarige afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU
Eiser, een meerderjarige met de Surinaamse nationaliteit, verzocht om een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het VWEU, omdat zijn moeder met Nederlandse nationaliteit verblijfsrecht heeft in Nederland. Zijn aanvraag werd afgewezen omdat hij meerderjarig was en geen aantoonbare zodanige afhankelijkheidsrelatie met zijn moeder bestond dat het gezin gedwongen zou worden te vertrekken uit de EU.
Eiser voerde aan dat het inreisrecht losstaat van het verblijfsrecht en dat de leeftijdsgrens niet geldt, verwijzend naar arresten van het Hof van Justitie. De rechtbank oordeelde dat het inreisrecht pas ontstaat bij vaststelling van het verblijfsrecht en dat meerderjarigheid als leeftijdsgrens geldt volgens vaste jurisprudentie. Ook ontbrak bewijs van een zodanige afhankelijkheid zoals vereist in het arrest K.A.
Verder wees de rechtbank het beroep op het evenredigheidsbeginsel af, omdat eiser geen bewijs leverde van uitzonderlijke omstandigheden die een afgeleid verblijfsrecht zouden rechtvaardigen. De aanvraag werd terecht afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard omdat eiser meerderjarig is en geen voldoende afhankelijkheidsrelatie met zijn moeder heeft aangetoond.