ECLI:NL:RVS:2024:1904

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2024
Publicatiedatum
6 mei 2024
Zaaknummer
202307576/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling krijgt schadevergoeding na onrechtmatige bewaring wegens gebrek aan zicht op uitzetting

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling bij besluit van 23 november 2023 in bewaring. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep door de vreemdeling op 8 december 2023 ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde het vonnis van de rechtbank.

Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling kreeg recht op een schadevergoeding van €10.500,00 voor de periode van 23 november 2023 tot en met 6 maart 2024. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €3.062,50, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding van €10.500 toegekend wegens onrechtmatige bewaring.

Uitspraak

202307576/1/V3.
Datum uitspraak: 6 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 december 2023 in zaak nr. NL23.37182 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft op verzoek van de Afdeling gereageerd op de schriftelijke inlichtingen van de staatssecretaris in het hoger beroep in zaak nr. 202306388/1/V3. In dat hoger beroep heeft de Afdeling vandaag uitspraak gedaan, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Overwegingen
1.       De door de vreemdeling in zijn enige grief opgeworpen rechtsvraag over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:1892. Uit die uitspraak volgt dat de grief slaagt.
2.       Omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat de maatregel van bewaring vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 december 2023 in zaak nr. NL23.37182;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 10.500,00 over de periode van 23 november 2023 tot en met 6 maart 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.062,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2024
922