ECLI:NL:RVS:2024:1915

Raad van State

Datum uitspraak
7 mei 2024
Publicatiedatum
7 mei 2024
Zaaknummer
202402804/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83, derde lid AwbDublinverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling op grond van Dublinverordening

De staatssecretaris heeft op 18 januari 2024 besloten om de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 mei 2024 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om zijn overdracht aan Duitsland op 6 mei 2024 te voorkomen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek ligt op grond van de Dublinverordening bij Duitsland, en de overdrachtstermijn verloopt op 7 mei 2024. De overdracht heeft geen onomkeerbare gevolgen omdat, indien Nederland uiteindelijk verantwoordelijk wordt geacht, de vreemdeling vanuit Duitsland kan worden teruggeleid.

Gezien deze belangen en omstandigheden wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd op 6 mei 2024 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter C.J. Borman.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen.

Uitspraak

202402804/2/V2.
Datum uitspraak: 6 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 1 mei 2024 in zaak nr. NL24.2133 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 1 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht aan Duitsland op 6 mei 2024 achterwege blijft en dat hij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening, hoewel de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 7 mei 2024 verstrijkt. De staatssecretaris heeft dus belang bij afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. De overdracht van de vreemdeling aan Duitsland heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan de vreemdeling vanuit Duitsland worden teruggeleid naar Nederland.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2024
987