ECLI:NL:RVS:2024:1978
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom voor bezit inbrekerswerktuigen in Utrecht
Appellant werd op 28 mei 2020 in Utrecht aangehouden met zwarte werkhandschoenen, een grote schroevendraaier, twee zaklampjes en een plastic bakje met schroeven. De burgemeester legde hem een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2:24 van Pro de APV Utrecht, dat het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen op openbare plaatsen verbiedt.
Appellant voerde aan dat het gereedschap bedoeld was voor het knutselen aan fietsen bij vrienden en dat hij niet wist dat de snorfiets waarop hij reed gestolen was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de burgemeester handhaafde de last onder dwangsom.
De Raad van State oordeelt dat de burgemeester terecht heeft geoordeeld dat de voorwerpen als inbrekerswerktuigen konden worden aangemerkt, mede gezien het feit dat appellant ze vervoerde op een gestolen snorfiets met verwijderd contactslot. Het argument dat appellant het gereedschap voor legitiem gebruik had, wordt niet aannemelijk geacht.
Verder is het handhavend optreden proportioneel gezien het algemeen belang bij het voorkomen van inbraak en diefstal. Het verbod is niet onredelijk omdat het niet beperkt is tot nachtelijke uren, aangezien inbraken ook overdag plaatsvinden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt bevestigd.