ECLI:NL:RVS:2024:2065
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor Syrische vreemdelingen
De vreemdelingen, beiden Syrische nationaliteit, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf om bij hun meerderjarige zoon in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde deze beslissing.
De vreemdelingen stelden dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro onjuist was, omdat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de hechte persoonlijke banden tussen hen en hun zoon. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris zich deugdelijk had gemotiveerd en dat er geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond, zodat geen belangenafweging hoefde plaats te vinden.
De tweede grief van de vreemdelingen werd als niet zelfstandig beschouwd en niet behandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.