ECLI:NL:RVS:2024:2316
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing omwisseling beschadigde bankbiljetten wegens vermoedelijke moedwillige beschadiging
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing door De Nederlandsche Bank (DNB) van zijn aanvraag tot omwisseling van beschadigde bankbiljetten ter waarde van € 6.500,00. Appellant stelde dat de beschadiging veroorzaakt werd doordat zijn toenmalige vriendin de oven aanzette zonder te weten dat de bankbiljetten daarin verborgen lagen. DNB liet het Nationaal Analyse Centrum (NAC) onderzoek doen, dat concludeerde dat de biljetten vermoedelijk door direct contact met vuur beschadigd waren, wat niet overeenstemde met de verklaring van appellant.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en oordeelde dat DNB voldoende redenen had om te vermoeden dat de biljetten moedwillig waren beschadigd en dat appellant niet te goeder trouw was. In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek van het NAC niet representatief was en dat hij geen middelen had om zelf onderzoek te laten doen. De Afdeling oordeelde dat het bestuursorgaan terecht op het deskundigenadvies mocht vertrouwen, dat het NAC meerdere onderzoeken had verricht waarbij het scenario van appellant was nagebootst, en dat appellant geen concrete aanwijzingen voor twijfel aan het onderzoek had gegeven.
Verder stelde appellant dat hij wel te goeder trouw was, maar de Afdeling bevestigde dat goede trouw niet ziet op de herkomst van de bankbiljetten maar op de oorzaak van de beschadiging. Het feit dat appellant procedeerde was geen indicatie van goede trouw. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. DNB hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de omwisseling van beschadigde bankbiljetten wordt bevestigd.