ECLI:NL:RVS:2024:2402
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering handhaving geur- en geluidsoverlast Amsterdam
Appellant A verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om handhavend op te treden tegen geur- en geluidsoverlast van nabijgelegen voedselbereidende en cateringbedrijven. Het college wees dit verzoek bij besluit van 3 juli 2019 af, omdat geen overtredingen waren vastgesteld. Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank dat het college niet tijdig had beslist, maar verklaarde het beroep verder ongegrond.
In hoger beroep betoogt appellant dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de doelmatigheid van afvoerpijpen en ontgeuringsinstallaties, en dat de cumulatie van geurhinder niet is meegewogen. Tevens is onvoldoende onderzocht of er sprake is van geluidsoverlast door laad- en losactiviteiten van vrachtwagens, mede omdat controles op niet-representatieve momenten plaatsvonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college onredelijk laat in gebreke is gesteld, waardoor geen dwangsom verschuldigd is. Wel is het college tekortgeschoten in het onderzoek naar geur- en geluidsoverlast. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit worden vernietigd. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen en de proceskosten worden aan het college opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.