ECLI:NL:RVS:2024:2448
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf door staatssecretaris
Bij besluit van 25 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen aan de vreemdeling afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 24 januari 2023 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die op 31 januari 2024 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen zonder verdere toelichting, omdat het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris is niet verplicht proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft het besluit van de staatssecretaris om de machtiging tot voorlopig verblijf te weigeren in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.