ECLI:NL:RVS:2024:2450
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid identiteit en familierechtelijke relatie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 december 2021 de aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen, geboren in 2013 en 2014 en van Syrische nationaliteit, stelden dat referent hun biologische vader was, maar DNA-onderzoek wees dit tegen. Referent verklaarde vervolgens dat de vreemdelingen kinderen zijn van zijn zoon en diens partner, die vermist zijn.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar mogelijke andere familiebanden en de status van pleegkinderen. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard omdat het gebrek eenvoudig te herstellen was. De staatssecretaris herhaalde zijn standpunt in een nieuw besluit van 15 januari 2024, waarin hij stelde dat de vreemdelingen hun identiteit en familierechtelijke relatie niet aannemelijk hadden gemaakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit besluit. De vreemdelingen konden onvoldoende bewijs overleggen van hun identiteit; de Turkse en Syrische documenten waren onvoldoende betrouwbaar. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde biologische ouders vermist zijn, noch dat referent de juridische voogd was. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris de hoorplicht niet had geschonden en dat aanvullend DNA-onderzoek niet noodzakelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard en de afwijzing bevestigd.