ECLI:NL:RVS:2024:2466
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep asielprocedure
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 februari 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 mei 2024 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond is, mede gelet op eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457). Daarom werd bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 875,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan op 14 juni 2024 door de voorzieningenrechter M. Soffers, in aanwezigheid van griffier D.I. van Kesteren. Hiermee wordt de rechtspositie van de vreemdeling tijdens het hoger beroep beschermd door het voorkomen van uitzetting en het waarborgen van opvang en verstrekkingen.
Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.