ECLI:NL:RVS:2024:247
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen omgevingsvergunning dakopbouw en bezonning
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 30 september 2021 een omgevingsvergunning aan de vergunninghouder voor het vergroten van woningen door het maken van een dakopbouw met dakterras. Appellant en partij, wonend achter deze woningen, maakten bezwaar vanwege onaanvaardbare gevolgen voor de bezonning van hun woningen. Het college verklaarde de bezwaren ongegrond en de rechtbank bevestigde dit in haar uitspraak van 17 augustus 2022.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank een evidente tekenfout in de verbeelding van het bestemmingsplan over het bouwvlak niet had onderkend. Volgens appellant was de begrenzing van de dakopbouw onjuist door een foutieve aanpassing na een erratum van een bezonningsonderzoek. Hierdoor zou de dakopbouw onaanvaardbare gevolgen voor de bezonning veroorzaken en had het bestemmingsplan onverbindend moeten worden verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestemmingsplan niet evident in strijd is met hogere regelgeving en dat de toetsing van bestemmingsplannen in een omgevingsvergunningsprocedure beperkt is. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het relativiteitsvereiste een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden in de weg stond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning voor de dakopbouw blijft van kracht.