ECLI:NL:RVS:2024:2531

Raad van State

Datum uitspraak
19 juni 2024
Publicatiedatum
21 juni 2024
Zaaknummer
202403703/1/V3 en 202403703/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 32 DublinverordeningArt. 91 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing asielaanvraag en overdracht vreemdeling aan Zwitserland

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 mei 2024 besloten om de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 juni 2024 dit beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Raad van State oordeelt dat de medische informatie die in hoger beroep is overgelegd onvoldoende aannemelijk maakt dat overdracht aan Zwitserland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van de vreemdeling. Tevens acht de Raad aanvullende garanties van Zwitserse autoriteiten niet noodzakelijk, mede gelet op artikel 32 van Pro de Dublinverordening.

Daarom bevestigt de Raad van State het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris de aanvraag niet hoeft te behandelen en de vreemdeling mag overdragen aan Zwitserland. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; de vreemdeling wordt overgedragen aan Zwitserland.

Uitspraak

202403703/1/V3 en 202403703/2/V3.
Datum uitspraak: 19 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 juni 2024 in zaak nr. NL24.20198 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 10 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Szirmai, advocaat te Heerenveen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling heeft namelijk ook met de in hoger beroep overgelegde medische informatie niet aannemelijk gemaakt dat zijn overdracht aan Zwitserland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang in zijn medische situatie. De medische situatie van de vreemdeling leidt verder, mede gelet op de mogelijkheid van artikel 32 van Pro de Dublinverordening, ook niet tot het oordeel dat de staatssecretaris nog aanvullende garanties van de Zwitserse autoriteiten moet verlangen. De rechtbank is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling hoeft te nemen en hem mag overdragen aan Zwitserland.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Steendijk
voorzieningenrechter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024
18-1073