ECLI:NL:RVS:2024:2534

Raad van State

Datum uitspraak
21 juni 2024
Publicatiedatum
21 juni 2024
Zaaknummer
202307191/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbDublinverordening
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij asielaanvraag

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de asielaanvraag van de vreemdeling aanvankelijk niet in behandeling, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was. Nadat de vreemdeling hoger beroep instelde tegen deze beslissing, gaf de staatssecretaris aan de aanvraag alsnog zelf in behandeling te nemen vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn aan Oostenrijk.

De vreemdeling handhaafde zijn hoger beroep, maar de Raad van State oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een voldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling. Immers, het doel van het beroep was bereikt doordat de aanvraag alsnog in behandeling werd genomen.

Daarnaast werd overwogen dat geen proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris wordt uitgesproken, omdat het gewijzigde besluit het gevolg is van veranderde omstandigheden en niet van een tegemoetkoming aan de vreemdeling.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij reeds bereikt heeft dat zijn asielaanvraag alsnog in behandeling wordt genomen.

Uitspraak

202307191/1/V2
Datum uitspraak: 21 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 november 2023 in zaak nr. NL23.22548 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 15 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft een nadere reactie ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening daar verantwoordelijk voor was. Nadat de vreemdeling hoger beroep had ingesteld in deze zaak, heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat hij de asielaanvraag alsnog zelf in behandeling neemt, omdat de termijn die de Dublinverordening stelt om de vreemdeling over te dragen aan Oostenrijk, is verstreken. De vreemdeling heeft in zijn nadere reactie meegedeeld dat hij zijn hoger beroep handhaaft.
2.       Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk, omdat hij onvoldoende belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep. Hij heeft namelijk al bereikt wat hij met zijn hoger beroep beoogt, doordat de staatssecretaris zijn asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen.
3.       Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Van tegemoetkomen is geen sprake als een in beroep bestreden besluit is gewijzigd wegens veranderde omstandigheden. Dat is in deze zaak gebeurd. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag van de vreemdeling wegens het verstrijken van de overdrachtstermijn is namelijk een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het besluit van 7 augustus 2023 nog niet voordeed (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084, onder 1.2). Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2024
936