ECLI:NL:RVS:2024:2542

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2024
Publicatiedatum
24 juni 2024
Zaaknummer
202302884/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 juli 2021 de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 4 februari 2022 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 6 april 2023 ongegrond.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, evenals de staatssecretaris incidenteel hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het hoger beroep van de vreemdeling niet leidt tot vernietiging van de uitspraak, omdat het geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoord moeten worden.

De staatssecretaris klaagde terecht dat de rechtbank onterecht uitging van de door de civiele rechter vastgestelde identiteit van de vreemdeling, maar dit leidt niet tot vernietiging van de uitspraak omdat het beroep reeds ongegrond was. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden en wijst het hoger beroep en incidenteel hoger beroep af.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het besluit van de rechtbank en verklaart het hoger beroep en incidenteel hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202302884/1/V2.
Datum uitspraak: 24 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       [de vreemdeling],
2.       de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 april 2023 in zaak nr. NL22.1834 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 4 februari 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B. de Haan, advocaat te Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
De staatssecretaris heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Overwegingen
In het hoger beroep van de vreemdeling
1.       Het hoger beroep van de vreemdeling leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
In het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris
2.       De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij moet uitgaan van de door de civiele rechter bij beschikking van 6 juli 2022 vastgestelde identiteit van de vreemdeling. De Afdeling heeft namelijk in haar uitspraak van 22 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1190, onder 4.1, overwogen dat de bestuursrechter bij de toetsing van de door de staatssecretaris verrichte beoordeling van de identiteit van de vreemdeling, niet is gebonden aan de vaststelling van de identiteit door de civiele rechter. Hoewel de staatssecretaris bij het slagen van de grief vraagt om vernietiging van de uitspraak, kan de grief daar niet toe leiden. De rechtbank heeft namelijk het beroep van de vreemdeling al ongegrond verklaard en het slagen van de grief kan in dit geval alleen leiden tot een verbetering van de gronden van de uitspraak.
Conclusie
3.       Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij rust. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2024
853-1065