ECLI:NL:RVS:2024:2701
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B.P. Vermeulen
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing exploitatievergunningen passagiersvaart wegens niet-tijdige aanvraag
Electric Tours heeft op 14 januari 2019 aanvragen ingediend voor exploitatievergunningen voor twaalf vaartuigen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft deze aanvragen op 15 februari 2019 afgewezen omdat zij niet binnen de in de Regeling uitgifteronde 2022 gestelde aanvraagperiode van 1 tot 31 maart 2020 vielen. Electric Tours maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond op 23 juli 2019. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing op 28 april 2021, waarna Electric Tours hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep betoogde Electric Tours dat de Regeling 2022 ten onrechte werd toegepast omdat deze pas op 17 januari 2019 in werking trad, na de datum van de aanvragen. Electric Tours stelde dat het recht dat gold ten tijde van de aanvraag moest worden toegepast, mede op grond van de Dienstenrichtlijn 2006/123/EG. De Afdeling oordeelde echter dat artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat bij het besluit op bezwaar het geldende recht op dat moment moet worden toegepast, en dat hier geen aanleiding was hiervan af te wijken.
Verder overwoog de Afdeling dat de vergunningstop uit artikel 1.3 van de Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013, die sinds 13 juni 2017 gold, ook op de datum van de aanvragen van toepassing was. Electric Tours kon daarom geen aanspraak maken op vergunningen. De Afdeling verwierp ook het beroep op schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het effectiviteitsbeginsel van het Unierecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van Electric Tours wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvragen voor exploitatievergunningen bevestigd.