ECLI:NL:RVS:2024:2750
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing nareisaanvraag vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 maart 2021 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor een vreemdeling af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 juli 2023 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De minister van Asiel en Migratie stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister altijd een belangenafweging moet maken bij de afwijzing van nareisaanvragen. Deze rechtsvraag was reeds beantwoord in eerdere uitspraken van 29 mei 2024.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van mr. M. Soffers.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.