ECLI:NL:RVS:2024:2767
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken familieleven
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf, welke bij besluit van 18 november 2021 werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat de minister zich deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een familieleven tussen de vreemdeling en de referent in de zin van artikel 8, eerste lid, EVRM. Hierdoor was een belangenafweging niet vereist.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van mr. J.J.W.P. van Gastel op 8 juli 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.