ECLI:NL:RVS:2024:2869
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken familieleven volgens artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 augustus 2019 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond bij besluit van 18 januari 2023. De vreemdelingen stelden hiertegen beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het geen vragen bevat die relevant zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het beroep tegen het besluit van 18 januari 2023 werd eveneens ongegrond verklaard. De minister had zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat tussen de vreemdelingen en de referent.
De minister hoefde daarom geen belangenafweging te maken omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden waren. De Afdeling hoefde de vraag naar de deugdelijkheid van de belangenafweging niet te bespreken. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 18 januari 2023 worden ongegrond verklaard.