202400743/1/V3.
Datum uitspraak: 31 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 januari 2024 in zaak nr. NL23.40242 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 25 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.L.M. Janssen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister heeft de rechtbank bij brief van 5 januari 2024 laten weten dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van de vreemdeling heeft de rechtbank in reactie op die brief laten weten dat hij regelmatig contact heeft met de vreemdeling en dat de vreemdeling in Nederland is, maar dat hij niet weet waar hij precies verblijft. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat, nu de gemachtigde niet weet waar de vreemdeling zich precies bevindt, de vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.
1.1. In zijn enige grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank zijn beroep vervolgens ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belang meer zou hebben bij de beoordeling van zijn beroep. Wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, moet hij namelijk in beginsel geacht worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. De Afdeling wijst in dit kader op haar uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7. Van zulke aanknopingspunten is in dit concrete geval niet gebleken. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 januari 2024 in zaak nr. NL23.40242;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2024
644