ECLI:NL:RVS:2024:311
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf en terugverwijzing naar staatssecretaris
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 14 februari 2020 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Het bezwaar van de vreemdeling tegen deze afwijzing werd op 8 juni 2020 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagde, omdat de rechtbank en staatssecretaris onvoldoende rekening hadden gehouden met de emotionele banden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende broer.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven en beval de staatssecretaris om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Daarbij moet de staatssecretaris een volledige belangenafweging maken, de vreemdeling horen conform de Awb, en rekening houden met de actuele feiten en omstandigheden.
De staatssecretaris is tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, met uitzondering van griffierechten. De Afdeling benadrukt dat de belangenafweging bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro altijd alle relevante feiten en omstandigheden moet omvatten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.