ECLI:NL:RVS:2024:312

Raad van State

Datum uitspraak
29 januari 2024
Publicatiedatum
29 januari 2024
Zaaknummer
202400274/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 15 december 2023 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 januari 2024 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich onder meer op een rechtsvraag die reeds in een eerdere uitspraak van de Afdeling was beantwoord, namelijk over de rechtsbijstand voorafgaand aan de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.

De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe of relevante rechtsvragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Ambtshalve zag de Afdeling ook geen reden om de opgelegde grensdetentie onrechtmatig te achten.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van A.J.C. de Moor-van Vugt.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202400274/1/V3.
Datum uitspraak: 29 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 januari 2024 in zaak nr. NL23.40193 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 5 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat te Nuth, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1750, onder 1 en 2, over rechtsbijstand voorafgaand aan de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2024
872-1020