ECLI:NL:RVS:2023:1750

Raad van State

Datum uitspraak
8 mei 2023
Publicatiedatum
4 mei 2023
Zaaknummer
202300977/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vw 2000Art. 59 Vw 2000Art. 59a Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling zonder voorafgaand recht op advocaat

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 20 januari 2023 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat hij voorafgaand aan de maatregel had moeten worden gehoord in het bijzijn van een advocaat, verwijzend naar paragraaf A5/6.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze paragraaf niet van toepassing is op vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, maar alleen op inbewaringstelling volgens artikel 59 e.v. De Afdeling bevestigde dat het verschil in rechtsbijstandbeleid geen ongerechtvaardigd onderscheid vormt en ook niet in strijd is met het Unierechtelijk gelijkheidsbeginsel, mede vanwege het belang van grensbewaking en de aard van de procedure.

De vreemdeling stelde een prejudiciële vraag voor, maar de Afdeling vond geen aanleiding deze te stellen gezien de duidelijke jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202300977/1/V3.
Datum uitspraak: 8 mei 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 februari 2023 in zaak nr. NL23.1971 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 7 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat te Nuth, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De vreemdeling betoogt in zijn eerste grief tevergeefs dat de staatssecretaris paragraaf A5/6.5 van de Vc 2000 had moeten toepassen en hem voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord in het bijzijn van een advocaat. Paragraaf A5/6.5 van de Vc 2000 regelt het tijdig in kennis moeten stellen van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden voorafgaand aan een inbewaringstelling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw 2000, en niet voorafgaand aan de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2286, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het verschil in beleid over rechtsbijstand geen ongerechtvaardigd onderscheid in de zin van artikel 14 van Pro het EVRM oplevert. Ook bij vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, zijn de mogelijkheden om rechtsbijstand te krijgen voldoende gewaarborgd. De rechtvaardiging voor dat onderscheid is gelegen in het grensbewakingsbelang en de omvang van het gehoor, waarbij de staatssecretaris voorafgaand aan inbewaringstelling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw 2000, meer informatie moet inwinnen. Dit brengt mee dat het niet gaat om ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Dit betekent dat ook het beroep van de vreemdeling op het Unierechtelijk gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Verder is het verschil tussen rechtsbijstand bij vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, en bij strafrechtelijke vrijheidsontneming of vrijheidsontneming in het psychiatrisch patiëntenrecht niet in strijd met het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel, omdat van vergelijkbare procedures geen sprake is. Het gelijkwaardigheidsbeginsel vereist een gelijke behandeling van vergelijkbare vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het nationale recht enerzijds en van het Unierecht anderzijds, maar niet de gelijkwaardigheid van nationale procedureregels die op verschillende soorten procedures van toepassing zijn. De Afdeling wijst in dit kader op het arrest van het Hof van Justitie van 26 september 2018 in zaak C-180/17, X&Y, ECLI:EU:C:2018:775, punten 37-39, en de uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457, onder 4.2 en 4.3.
2.       De vreemdeling heeft voorgesteld een prejudiciële vraag te stellen over het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Uit het voorgaande volgt dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de door de vreemdeling opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3.       Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2023
18-1020