ECLI:NL:RVS:2024:3213
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens termijnoverschrijding
Appellante diende op 16 oktober 2020 een aanvraag in bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering wegens mishandeling in de huiselijke sfeer tussen 1995 en 2005, waarbij zij onder meer blauwe plekken en een hersenschudding opliep. De CSG wees de aanvraag op 20 april 2021 af omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van tien jaar was ingediend en er geen verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding waren.
Na bezwaar handhaafde de CSG het besluit op 5 september 2022 en verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van appellante ongegrond op 12 juli 2023. Appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat appellante op de hoogte was van het bestaan van het schadefonds, mede omdat zij eerder een aanvraag had ingediend. Het beleid van de CSG schrijft voor dat een te late aanvraag niet in behandeling wordt genomen tenzij er geldige redenen zijn, zoals ernstige psychische klachten of het niet op de hoogte zijn van het fonds. Dit beleid werd consistent toegepast en de eerdere fout bij een andere aanvraag verplicht de CSG niet tot herhaling.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven bevestigd.