ECLI:NL:RVS:2024:3222
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van plagiaatbeslissing en dwangsom wegens niet tijdig beslissen
De examencommissie van de faculteit Maatschappij en Recht concludeerde dat appellante plagiaat had gepleegd bij een ingeleverde opdracht en verklaarde deze ongeldig, met uitsluiting van herkansing. Appellante stelde administratief beroep in bij het college van beroep voor de examens (CBE), dat niet tijdig besliste, waarna zij beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het CBE niet tijdig had beslist en stelde de verbeurde dwangsom vast op € 992,00. De Afdeling vernietigde het met een beslissing gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing. Het beroep tegen de inhoudelijke beslissing van het CBE van 2 april 2024 werd ongegrond verklaard.
Appellante voerde onder meer aan dat de verklaring van een medestudent niet aan haar was voorgelegd en dat het ne-bis-in-idembeginsel en artikel 7.12b WHW werden geschonden. De Afdeling verwierp deze gronden, oordeelde dat de bewijslast bij de examencommissie lag en dat de verklaring van de medestudent voldoende was om plagiaat vast te stellen. Appellante had niet voldoende tegenbewijs geleverd.
De Afdeling legde het CBE op de proceskosten van het beroep tegen het niet tijdig beslissen te vergoeden, met een lichte wegingsfactor. De overige proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 7 augustus 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt gegrond verklaard met een dwangsom van € 992,00, het beroep tegen de inhoudelijke plagiaatbeslissing wordt ongegrond verklaard.