ECLI:NL:RVS:2024:2551
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging sanctiebesluit wegens onterecht vastgestelde plagiaat bij bachelorscriptie
Appellante diende in juni 2023 een bachelorscriptie in voor de opleiding Religiewetenschappen, die zij na een onvoldoende herkansing in augustus 2023 opnieuw indiende. De examencommissie constateerde plagiaat en verklaarde de scriptie ongeldig, met uitsluiting van deelname aan de scriptie voor het studiejaar 2023-2024 als sanctie. Het college van beroep voor de examens (CBE) verklaarde het administratief beroep van appellante ongegrond en handhaafde de sanctie.
Appellante stelde in beroep dat zij geen plagiaat had gepleegd, maar bronnen had vertaald, geparafraseerd en correct vermeld. Zij betoogde dat de examencommissie niet aannemelijk, maar bewijs moest leveren en dat de sanctie disproportioneel was. Het CBE handhaafde haar standpunt dat buiten redelijke twijfel plagiaat was vastgesteld en dat de sanctie passend was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de examencommissie onvoldoende duidelijkheid had gegeven over de aard en ernst van het vermeende plagiaat en dat de verklaringen tegenstrijdig waren. De Afdeling concludeerde dat appellante de tekst in eigen woorden had weergegeven met synoniemen en dat dit niet als plagiaat kon worden aangemerkt. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en de sancties komen te vervallen.
De Raad van State veroordeelde het CBE tot vergoeding van de proceskosten van appellante en gelastte vergoeding van het griffierecht. Tevens moet het CBE ervoor zorgen dat appellante alsnog de benodigde begeleiding ontvangt om haar scriptie te kunnen afronden en afstuderen binnen het studiejaar 2023-2024.
Uitkomst: De sanctie wegens plagiaat wordt vernietigd omdat het plagiaat niet is aangetoond.