ECLI:NL:RVS:2024:3237

Raad van State

Datum uitspraak
8 augustus 2024
Publicatiedatum
8 augustus 2024
Zaaknummer
202400911/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onterecht niet-ontvankelijk verklaren asielaanvraag

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 22 december 2023 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit niet-ontvankelijk op 26 januari 2024. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling stelde vast dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de vreemdeling geen prijs meer stelde op bescherming in Nederland, mede omdat er na de melding dat de vreemdeling de opvang had verlaten (MOB-melding) nog contact was geweest tussen de gemachtigde en de vreemdeling. De rechtbank had eerst nadere informatie moeten opvragen bij de gemachtigde over het procesbelang voordat zij het beroep niet-ontvankelijk verklaarde.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 875,00 die de vreemdeling had gemaakt voor rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling met vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202400911/1/V2.
Datum uitspraak: 8 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2024 in zaak nr. NL23.40307 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij mondelinge uitspraak van 26 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De minister heeft de rechtbank op 16 januari 2024 bericht dat de vreemdeling de opvang heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken (hierna: de MOB-melding). De gemachtigde van de vreemdeling heeft de rechtbank op 22 januari 2024 schriftelijk laten weten dat zij gedurende de asielprocedure via een familielid telefonisch contact heeft gehad met de vreemdeling. De gemachtigde heeft daarbij vermeld dat niet bekend is waar de vreemdeling verblijft. Op 25 januari 2024 heeft de gemachtigde van de vreemdeling de rechtbank bericht dat er in de beroepsfase contact is geweest met de vreemdeling, maar dat zij beiden niet op de zitting aanwezig zullen zijn.
2.       In de grieven klaagt de vreemdeling dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank heeft verzuimd om bij de gemachtigde te vragen naar nadere relevante informatie voor de beoordeling van het belang bij het beroep (hierna: het procesbelang).
2.1.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7, overwogen dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. In dit geval is uit recente informatie van na de MOB-melding gebleken dat de gemachtigde in de beroepsfase contact heeft gehad met de vreemdeling. Hoewel de informatie van 25 januari 2024 niet ondubbelzinnig was over het contact na de MOB-melding, volstond dit niet om niet langer van procesbelang uit te gaan. Verder waren er in dit geval onvoldoende concrete aanknopingspunten om zonder meer aan te nemen dat de vreemdeling geen prijs meer stelde op bescherming in Nederland. De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 juli 2024, onder 2.8, verder overwogen dat het niet aan de vreemdeling of de gemachtigde is om uit eigen beweging informatie te verstrekken over de aard of de frequentie van hun contact. De rechtbank had in dit geval dus eerst bij de gemachtigde navraag moeten doen naar de relevante feiten en omstandigheden alvorens te concluderen dat het procesbelang ontbrak. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2024 in zaak nr. NL23.40307;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.     veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2024
309-1087