ECLI:NL:RVS:2024:3251
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering uitstel van uitzetting vreemdeling door Raad van State
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 7 juli 2022 ambtshalve geweigerd om uitstel van uitzetting van de vreemdeling toe te staan op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 7 maart 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juli 2024 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze nam de motivering van de rechtbank over en oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad van State oordeelde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 9 augustus 2024 door de enkelvoudige kamer onder leiding van A.J.C. de Moor-van Vugt.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond.