AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Proceskostenveroordeling bij intrekking hoger beroep in asielzaak wegens overschrijding beslistermijn
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een asielaanvraag. Vervolgens trok hij het hoger beroep in en verzocht om proceskostenveroordeling van de minister van Asiel en Migratie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de minister de beslistermijn voor de asielaanvraag had overschreden, ondanks een rechtmatige verlenging van negen maanden. De minister had uiteindelijk op 20 oktober 2023 de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
Gezien de overschrijding van de beslistermijn en het feit dat de minister aan de aanvraag tegemoet was gekomen, oordeelde de Afdeling dat de minister in de proceskosten moest worden veroordeeld. De vergoeding werd vastgesteld op € 437,50, zijnde kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 437,50 na intrekking van het hoger beroep wegens overschrijding beslistermijn.
Uitspraak
202302411/1/V1.
Datum uitspraak: 12 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb (hierna: de Awb)).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat in Amsterdam, heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 maart 2023 in zaak nr. NL22.24597 hoger beroep ingesteld.
Bij bericht van 25 oktober 2023 heeft de vreemdeling het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Desgevraagd heeft de staatssecretaris (nu: de minister van Asiel en Migratie) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 vanPro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan de vreemdeling is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. Op de door de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. In dit geval heeft de minister bij besluit van 20 oktober 2023 de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De vreemdeling heeft deze aanvraag op 3 mei 2022 ingediend. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 20 oktober 2023
4. De minister is in het besluit van 20 oktober 2023 geheel aan de aanvraag van de vreemdeling tegemoetgekomen. De vreemdeling heeft desgevraagd geen reactie gegeven op dat besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.