Uitspraak
Datum uitspraak: 8 november 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
griffier
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die oordeelde dat de verlenging van de beslistermijn voor asielaanvragen met negen maanden niet rechtmatig was. De staatssecretaris had de beslistermijn verlengd vanwege een onverwacht hoge instroom van asielverzoeken sinds de tweede helft van 2021, wat volgens hem een zorgvuldige behandeling binnen zes maanden onmogelijk maakte.
De rechtbank stelde dat alleen sprake kan zijn van een rechtmatige verlenging bij een piek van gelijktijdig ingediende asielverzoeken, wat hier niet het geval was. De staatssecretaris betoogt dat ook een geleidelijke toename over een langere periode de verlenging rechtvaardigt, mede vanwege de noodzaak tot een zorgvuldige behandeling en de bestaande achterstanden.
De Afdeling bestuursrechtspraak constateert onduidelijkheid over de interpretatie van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn, met name over de betekenis van 'tegelijk', de omvang van 'een groot aantal' en de rol van andere omstandigheden zoals achterstanden bij de beoordeling van de rechtmatigheid van verlenging.
Daarom heeft de Afdeling prejudiciële vragen geformuleerd en de behandeling van het hoger beroep geschorst totdat het Hof van Justitie hierover uitspraak doet. De zaak heeft grote impact op de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in asielprocedures in Nederland.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep is geschorst en prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de verlenging van de beslistermijn bij asielverzoeken.