AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging uitspraak over handhaving kap bomen en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar om handhavend op te treden tegen het kappen van veldesdoorns op een perceel dat inmiddels gesplitst is in meerdere percelen met verschillende eigenaren. Het college wees het verzoek toe, maar besloot later af te zien van handhaving. Appellant maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard, en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de kap in strijd was met de planregels, die een landschappelijke inpassing voorschrijven conform een bijlage bij het bestemmingsplan. De Afdeling oordeelde dat de planregels geen eis stellen dat de groenstrook ongewijzigd moet blijven en dat het terugbrengen van de veldesdoorns tot circa 2,5 meter nog steeds voldoet aan de vereiste boomvak/struweel. Het deskundigenrapport van appellant deed hieraan niet af.
Verder stelde appellant een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Afdeling concludeerde dat de totale procedure meer dan vier jaar duurde, waarbij de overschrijding volledig aan de Afdeling is toe te rekenen. Daarom werd een forfaitaire schadevergoeding van € 500 toegekend en werden proceskosten vergoed. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant ontvangt een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
202203042/1/R4.
Datum uitspraak: 14 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Babberich, gemeente Zevenaar,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 april 2022 in zaak nr. 20/6974 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar.
Procesverloop
Bij brief van 18 maart 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het kappen van bomen op het perceel [locatie 1] (hierna: het perceel) toegewezen.
Bij besluit van 25 juni 2020 heeft het college besloten af te zien van handhaving.
Bij besluit van 13 november 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 april 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [eigenaren] (hierna samen en in enkelvoud: [eigenaar]) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en [eigenaar] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 juli 2024, waar [appellant], bijgestaan door mr. V.W.J.H. Kobossen, advocaat in Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door H. Sarkisian, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 24 december 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op het perceel is een groenstrook met veldesdoorns aanwezig. Het perceel [locatie 1] is inmiddels gesplitst in meerdere percelen, waardoor de groenstrook op dit moment van verschillende eigenaren is. [eigenaar] is een van de eigenaren. [appellant] woont op het aangrenzende perceel, aan de [locatie 2].
Op het perceel rust op grond van het bestemmingsplan "[locatie 1]" (hierna: het bestemmingsplan), de bestemming "Wonen-1". In artikel 3.5.2 van de planregels is een landschappelijke inpassingsregeling opgenomen die bepaalt dat de gronden en gebouwen ter plaatse van de bestemming "Wonen-1" uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform de ruimtelijke randvoorwaarden tekening zoals opgenomen in bijlage 2 bij de planregels. Op die tekening staat op de plaats waar veldesdoorns op het perceel staan een donker groen vlak met daarin het woord "bestaand". In de legenda wordt bij de donkere kleur groen vermeld "Boomvak/struweel".
3. Op 24 december 2019 heeft [appellant] het college verzocht om handhavend op te treden tegen de kap van bomen op het perceel in strijd met artikel 3.5.2 en bijlage 2 van de planregels. Een toezichthouder van de gemeente Zevenaar had al eerder op 2 december 2019 naar aanleiding van een telefoontje van [appellant] een controle uitgevoerd op het perceel. Tijdens deze controle is geconstateerd dat er kapwerkzaamheden aan de aanwezige veldesdoorns waren verricht. Deze kapwerkzaamheden waren voor het college aanleiding om op 18 maart 2020 het verzoek om handhavend op te treden toe te wijzen en het voornemen bekend te maken aan de toenmalige eigenaren van het perceel om handhavend te gaan optreden tegen de kapwerkzaamheden. Over het voornemen van het college om handhavend op te treden hebben de toenmalige eigenaren op 3 april 2020 een zienswijze naar voren gebracht. Vervolgens heeft op 13 mei 2020 een tweede controle plaatsgevonden waarbij de toezichthouder heeft geconstateerd dat - zij het in andere vorm - het boomvak/struweel in stand is gebleven. Naar aanleiding van de zienswijze en de controle op 13 mei 2020 heeft het college op 25 juni 2020 besloten van handhaving af te zien.
Is sprake van een overtreding?
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het snoeien dan wel kappen van de veldesdoorns niet in strijd is met artikel 3.5.2 van de planregels. Daartoe wijst hij er op dat op de tekening in bijlage 2 bij de planregels op de plaats van de veldesdoorns een bestaande groenstrook staat ingetekend. Volgens [appellant] betekent dit dat de groenstrook, behoudens normaal onderhoud en beheer, moet worden gehandhaafd in de toestand zoals die was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Hij stelt dat dit ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:546, die gaat over de vaststelling van het bestemmingsplan. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft toegekend aan het door hem ingediende deskundigenrapport van Copijn tuin- en landschapsarchitecten (hierna: Copijn).
4.1. Artikel 3.5.2 van de planregels luidt:
"De gronden en gebouwen ter plaatse van de bestemming 'Wonen - 1' mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van wonen, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform de ruimtelijke randvoorwaarden tekening zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels."
4.2. Op grond van artikel 3.5.2 van de planregels moet de landschappelijke inpassing worden gerealiseerd, beheerd en in stand gehouden conform de tekening bij de planregels. Op die tekening staat op de plaats van de veldesdoorns een donker groen vlak met daarin de tekst "bestaand". In de legenda wordt bij de donkere kleur groen vermeld "Boomvak/struweel". De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit betekent dat op de plek van het donker groene vlak over de gehele lengte van de strook een boomvak of struweel aanwezig moet zijn. De tekening stelt verder geen specifieke eisen aan het boomvak of het struweel, en daarop staat ook niet voorgeschreven dat de groenstrook moet worden gehandhaafd zoals die was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Uit het enkele woord "bestaand" in het groene vlak kan zo’n eis niet worden afgeleid. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit slechts betekent dat sprake is van een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaande groenstrook, die in de vorm van een boomvak of struweel behouden moet blijven. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2017 leidt niet tot een ander oordeel, omdat voor de vraag of en welke groenstrook aanwezig moet zijn de planregel, zoals die luidt, bepalend is. Uit die uitspraak kan ook niet worden afgeleid dat de bestaande groenstrook ongewijzigd behouden moet blijven.
Door de kapwerkzaamheden is een aantal veldesdoorns teruggebracht tot een hoogte van ongeveer 2,5 m. De rechtbank heeft terecht overwogen dat nog steeds sprake is van een boomvak of struweel. Gelet hierop heeft de rechtbank ook terecht overwogen dat geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5.2 van de planregels, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd is om handhavend op te treden.
Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft toegekend aan het deskundigenrapport van Copijn van 31 juli 2020, leidt dit niet tot een ander oordeel. In dat rapport is beoordeeld of sprake is van kappen of snoeien en of de bomen weer kunnen uitgroeien tot volwaardige loofbomen. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat dit niet van belang is, omdat uit de planregels niet volgt dat de groenstrook niet gewijzigd mag worden.
Het betoog faalt.
Overschrijding redelijke termijn
5. [appellant] heeft de Afdeling verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 vanPro het Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM, overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep hoogstens twee jaar duren.
5.2. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van [appellant] tegen het besluit van 18 maart 2020. Het bezwaarschrift is door het college ontvangen op 6 augustus 2020. Met deze uitspraak van de Afdeling is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal meer dan vier jaar heeft geduurd. Geen aanleiding wordt gezien om voor de vaststelling van de redelijke termijn af te wijken van een termijn van vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer één maand is overschreden.
5.3. De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend.
Het college heeft binnen de redelijke behandelingsduur van zes maanden het besluit op bezwaar genomen.
De rechtbank heeft binnen de duur van anderhalf jaar die redelijk wordt geacht voor de behandeling van het beroep uitspraak gedaan op het beroep van [appellant] tegen het besluit van 13 november 2020.
De Afdeling heeft na ongeveer 2 jaar en 3 maanden na het instellen van hoger beroep een uitspraak gedaan op het hoger beroep. De duur van twee jaar die redelijk wordt geacht voor de behandeling van het hoger beroep, is daarmee met ongeveer 3 maanden overschreden.
5.4. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig is toe te rekenen aan de Afdeling.
5.5. Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding € 500,00. Omdat de overschrijding aan de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade uitgesproken ten laste van de Staat der Nederlanden.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Het college hoeft voor het hoger beroep geen proceskosten te vergoeden.
8. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
9. De Staat der Nederlanden moet de proceskosten vergoeden die [appellant] heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.