ECLI:NL:RVS:2024:3295
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek op facilitaire overkomst naar Nederland van voormalige Afghan Security Guard
De appellant, een Afghaanse bewaker die van 2006 tot 2010 voor de Nederlandse krijgsmacht werkte, verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om hem en zijn gezin vanuit Afghanistan naar Nederland over te brengen. Dit verzoek werd afgewezen omdat hij niet onder de speciale voorziening viel die alleen geldt voor personen die zich uiterlijk 11 oktober 2021 hadden gemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. De appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De minister stelde dat de speciale voorziening alleen ziet op een afgebakende groep van circa 500 Afghanen die zich binnen een bepaalde termijn hadden gemeld, en dat het verzoek van appellant te laat was ingediend.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister binnen zijn beleidsruimte een redelijke afbakening heeft gemaakt en dat het verzoek van appellant te laat was. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel, overmacht en gevaar in Afghanistan faalde. De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister wordt bevestigd.