Uitspraak
Datum uitspraak: 10 april 2024
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
griffier
Raad van State
Appellanten, een Afghaans gezin dat werkzaam was voor een Afghaanse ngo, verzochten om evacuatie naar Nederland vanwege gevaar door hun werkzaamheden. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek af omdat zij niet vielen onder de speciale voorziening voor medewerkers van projecten gefinancierd vanuit de Nederlandse begroting na 1 januari 2018.
De rechtbank oordeelde dat de minister het beleid consistent en evenredig had toegepast en dat appellanten niet onder de speciale voorziening vielen. Appellanten stelden meerdere hogerberoepsgronden aan, waaronder dat de rechtbank onterecht feiten buiten beschouwing had gelaten en dat er bijzondere omstandigheden waren die de afwijzing onevenredig maakten.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze gronden. Zij stelde vast dat appellanten niet vielen onder de groep medewerkers van een gefinancierd project, omdat de subsidie niet aan de stichting maar aan een particulier bedrijf was verstrekt en het project uit 2008-2009 dateerde. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigden. De minister had terecht afgezien van het horen in bezwaar en had voldoende gemotiveerd gehandeld.
De Afdeling bevestigde het eerdere vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot evacuatie wordt bevestigd.