ECLI:NL:RVS:2024:3342
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken wettelijke grondslag voor afwijzing kennelijk ongegrond
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 maart 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 17 april 2024 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2024:2604) is vastgesteld dat de minister niet bevoegd is om asielaanvragen als kennelijk ongegrond af te wijzen wanneer vreemdelingen zonder geldige reden niet verschijnen voor het nader gehoor. Deze werkwijze ontbreekt een grondslag in de Vreemdelingenwet 2000.
Gelet hierop werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 8 maart 2024 vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen waarin wordt onderzocht of de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld of inhoudelijk moet worden behandeld, rekening houdend met de actuele feiten en omstandigheden. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.750,00.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.