ECLI:NL:RVS:2024:3414
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nadeelcompensatie wegens omzetdaling door trambaanwerkzaamheden
De zaak betreft een aanvraag om nadeelcompensatie door de exploitant van een kapsalon in Amsterdam, die een omzetdaling claimde als gevolg van werkzaamheden aan de trambaan nabij de zaak van 7 januari tot 24 februari 2019. Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af omdat de omzetdaling niet boven de drempelwaarde van 8 procent op jaarbasis uitkwam en daarmee binnen het normale ondernemersrisico viel.
De rechtbank verklaarde het beroep van de exploitant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het college niet verplicht was de schadeperiode te verlengen voorbij het eerste kwartaal van 2019. De curator, die het proces overnam na faillissement, voerde hoger beroep en stelde dat de omzetdaling ook daarna voortduurde en wel degelijk aan de werkzaamheden toe te rekenen was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de curator onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de omzetdaling na het eerste kwartaal 2019 werd veroorzaakt door de werkzaamheden. Het college had alternatieve oorzaken zoals personeelsvertrek en concurrentie gemotiveerd aangevoerd, welke niet overtuigend waren weerlegd. De korte duur van de werkzaamheden en de bereikbaarheid van de kapsalon tijdens die periode maakten een langere schadeperiode niet aannemelijk.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van nadeelcompensatie wordt bevestigd.