202307417/1/V2.
Datum uitspraak: 31 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 november 2023 in zaak nr. NL21.8159 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft de staatssecretaris het besluit van 17 mei 2021 ingetrokken en de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, alsnog ingewilligd.
Bij uitspraak van 22 november 2023 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen beide besluiten niet-ontvankelijk verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van € 834,00.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in de tweede grief onder meer dat de rechtbank de kosten voor het indienen van het beroepschrift tegen het besluit van 17 mei 2021 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht ten onrechte heeft vastgesteld op € 834,00 in plaats van op € 837,00.
1.1. De grief is in zoverre terecht voorgedragen, maar leidt niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep. De tarieven per punt voor de voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komende proceshandelingen zijn openbaar doordat deze zijn vastgelegd in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. In deze bijlage was ten tijde van de uitspraak van de rechtbank bepaald dat de waarde van 1 punt gelijk is aan € 837,00. Het is daardoor voor eenieder duidelijk dat het in het dictum opgenomen bedrag van € 834,00 (voor het indienen van het beroepschrift) in plaats van € 837,00 op een vergissing berust. Vergelijk de uitspraak van 1 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN5718, onder 2.6.1. Voor rectificatie van deze kennelijke vergissing of verschrijving had de vreemdeling zich tot de rechtbank kunnen wenden. Ook had de vreemdeling de staatssecretaris kunnen verzoeken het juiste bedrag over te maken. De Afdeling zal daarom verstaan dat € 834,00 moet worden gelezen als € 837,00, zodat de staatssecretaris zo nodig tot nabetaling van € 3,00 zal kunnen overgaan. 2. Wat de vreemdeling voor het overige aanvoert, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verstaat dat de proceskostenvergoeding die in het dictum van de uitspraak van de rechtbank is gesteld op € 834,00, gelezen moet worden als € 837,00.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024
802-1047