ECLI:NL:RVS:2024:3511
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken familieleven
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 februari 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het besluit bevestigde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de eerste grief geen vragen van algemeen belang bevatte en daarom niet tot vernietiging van de uitspraak leidde. Ten aanzien van de tweede grief oordeelde de Raad dat de belangenafweging van de minister in het kader van artikel 8 EVRM Pro deugdelijk was gemotiveerd. Er werd vastgesteld dat er geen familieleven bestond tussen de vreemdeling en de referent, en dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid waren, waardoor een belangenafweging niet noodzakelijk was.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.