ECLI:NL:RVS:2024:3543
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken familieleven
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 juni 2022 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank het besluit van de minister en de beroepsgronden van de vreemdeling zorgvuldig had getoetst. Er werd vastgesteld dat er geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, EVRM bestaat tussen de vreemdeling en referent, waarbij alle individuele feiten en omstandigheden waren betrokken.
Omdat geen familieleven werd vastgesteld, was een belangenafweging niet meer aan de orde. De Afdeling vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.