ECLI:NL:RVS:2024:3607
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake uitzetting, inreisverbod en vreemdelingenbewaring
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 3 maart 2024 besluiten genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod werd uitgevaardigd en hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld.
De rechtbank Den Haag heeft op 14 maart 2024 de beroepen van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Er zijn geen vragen die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming rechtvaardigen om het oordeel te herzien. Ook ambtshalve ziet de Afdeling geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten.
Daarom bevestigt de Raad van State de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.