ECLI:NL:RVS:2024:361
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wegsleepbesluit voertuig op inrit wegens obstructie loods in Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag liet op 12 februari 2021 het voertuig van appellant wegslepen omdat het geparkeerd stond voor de deur van een garagebox en daarmee de uitrit van een loods belemmerde. De kosten van het wegslepen werden op appellant verhaald. Het college handhaafde dit besluit bij bezwaar op 18 juni 2021. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat de plek waar het voertuig stond te beschouwen was als een in- of uitrit, een voor het openbaar verkeer openstaande weg, waarop parkeren verboden is. Appellant stelde dat het terrein privégrond was en dat het wegslepen onrechtmatig was.
In hoger beroep betoogde appellant dat de hoorplicht was geschonden omdat hij in zijn bezwaarschrift had aangegeven telefonisch gehoord te willen worden, maar het college hem niet had gehoord. De Afdeling oordeelde dat het college ten onrechte niet had gehoord, maar dat appellant hierdoor niet benadeeld was omdat hij zijn standpunten wel mondeling kon toelichten tijdens de zitting. Daarom kon dit gebrek worden gepasseerd.
De Afdeling bevestigde dat de plek een in- of uitrit is en dat het college bevoegd was het voertuig weg te slepen op grond van artikel 170 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vanwege obstructie van de vrije doorgang. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het wegsleepbesluit bevestigd.