ECLI:NL:RVS:2024:3641
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bewaring vreemdeling wegens ontbreken zware gronden en toekenning schadevergoeding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 10 april 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister de zware gronden 3a en 3d aan de bewaring ten grondslag mocht leggen. De toelichting bij deze gronden was onvolledig en feitelijk onjuist, onder meer omdat de vreemdeling een lopende asielaanvraag in Spanje had en het overdrachtsbesluit onjuist was geadresseerd. Hierdoor ontbraken voldoende zware gronden om de bewaring te dragen.
De bewaring was vanaf het begin onrechtmatig. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding van € 2.700 toe over de periode van 10 april tot en met 6 mei 2024. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.625.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig verklaard en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.