AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep vreemdeling
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een verblijfsvergunning. Tijdens de procedure heeft de minister van Asiel en Migratie het verzoek van de vreemdeling geheel ingewilligd met een besluit van 30 juni 2023. De vreemdeling trok daarop het hoger beroep in en verzocht de Afdeling bestuursrechtspraak om de minister te veroordelen in de proceskosten.
De Afdeling overwoog dat een proceskostenveroordeling kan worden toegewezen indien de minister de vreemdeling tegemoet is gekomen of het belang bij het hoger beroep door zijn toedoen is komen te vervallen. Nu de minister de aanvraag volledig heeft ingewilligd binnen de wettelijke termijn, zag de Afdeling geen reden om de minister in de proceskosten te veroordelen.
Daarnaast wees de Afdeling erop dat er geen beroep van rechtswege was ontstaan, omdat de vreemdeling het eens was met het besluit van de minister. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd daarom afgewezen en de minister hoefde geen kosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling van de minister wordt afgewezen.
Uitspraak
202303831/1/V1.
Datum uitspraak: 23 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat te Bussum, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2023 in zaak nr. NL23.6100.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
De staatssecretaris (nu: de minister van Asiel en Migratie) heeft een schriftelijke reactie gegeven.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 vanPro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. De minister heeft bij besluit van 30 juni 2023 een aanvraag van de vreemdeling van 6 oktober 2022 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Op de door de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De minister heeft binnen een termijn van vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit genomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Besluit van 30 juni 2023
4. De minister is in het besluit van 30 juni 2023 geheel aan de aanvraag van de vreemdeling tegemoetgekomen. De vreemdeling heeft laten weten het eens te zijn met dit besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.