ECLI:NL:RVS:2024:3861
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit Raad voor Rechtsbijstand over vergoeding advocaat na proceskostenvergoeding hoger beroep
De zaak betreft een geschil tussen een advocaat en de Raad voor Rechtsbijstand over de vergoeding voor verleende rechtsbijstand in een beroepsprocedure. De advocaat had op basis van een toevoeging rechtsbijstand verleend en een vergoeding van €903,64 ontvangen. Na afloop van de procedure ging de rechtzoekende in hoger beroep, waarbij een andere advocaat haar bijstond en een proceskostenvergoeding van €1.496,00 werd toegekend.
De Raad voor Rechtsbijstand bracht deze proceskostenvergoeding in mindering op de vergoeding van de eerste advocaat, waardoor diens vergoeding op nihil kwam te staan. De advocaat maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak werd het beroep eveneens ongegrond verklaard.
De Afdeling oordeelde dat de Raad niet onrechtmatig had gehandeld en dat de advocaat, indien hij meent aanspraak te hebben op een deel van de proceskostenvergoeding, dit civielrechtelijk kan afdwingen. De Afdeling bevestigde daarmee het eerdere oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 september 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep van de advocaat is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.