ECLI:NL:RVS:2024:3889
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen verblijfsvergunning asiel en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De vreemdeling had een opvolgende aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had deze aanvraag ingewilligd, maar het verzoek om heroverweging van het eerdere afwijzende besluit uit 2017 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de grief van de vreemdeling onvoldoende gronden bevatte om het vonnis van de rechtbank te vernietigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarnaast verzocht de vreemdeling om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling stelde vast dat de totale procedure meer dan vier en een half jaar had geduurd, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de minister kon worden toegerekend.
Op basis van een schadevergoeding van €500 per half jaar overschrijding werd de minister veroordeeld tot betaling van €1.000 aan de vreemdeling. De Afdeling wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en sprak de beslissing uit in het openbaar op 26 september 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.