ECLI:NL:RVS:2024:4055
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke invordering dwangsommen wegens strijdig gebruik perceel in Soest
Het college van burgemeester en wethouders van Soest legde in 2018 een last onder dwangsom op aan [wederpartij] om het gebruik van een autohandelsbedrijf op een perceel in Soest te beëindigen. Na constatering van overtredingen in september en oktober 2019 besloot het college dwangsommen te innen.
De rechtbank oordeelde dat de overtreding een voortdurende was en dat het maximale dwangsombedrag al was bereikt, waardoor invordering voor september en oktober 2019 niet mogelijk was. Het college ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling oordeelt dat het gebruik van het perceel geen voortdurende overtreding is, omdat het relatief eenvoudig kan worden beëindigd en hervat. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat het maximale dwangsombedrag al was bereikt. Verder is vastgesteld dat het college niet heeft voldaan aan het motiveringsbeginsel met betrekking tot het vertrouwensbeginsel, omdat het college niet heeft gemotiveerd waarom het eerdere vertrouwen van [wederpartij] werd doorbroken.
De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak waarin het besluit van het college is herroepen en bevestigt het overige van de uitspraak van de rechtbank. Tevens bepaalt zij dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep van het college gegrond, vernietigt deels de uitspraak van de rechtbank en bevestigt het overige.