ECLI:NL:RVS:2024:4079
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardedalingsvergoeding erfpachters volgens koopgarantbepalingen
Appellanten [appellant A] en [appellant B] hebben een erfpachtrecht op een woning in Groningen, gevestigd door woningcorporatie Lefier. Zij vroegen vergoeding voor waardedaling van hun woning als gevolg van mijnbouwschade. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende hen een vergoeding toe van €1.915,06 elk, wat neerkomt op 50% van de waardedaling, gebaseerd op de koopgarantbepalingen in de erfpachtovereenkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten gegrond wegens procedurele tekortkomingen, maar handhaafde de vergoeding. In hoger beroep betoogden appellanten recht te hebben op 100% van de vergoeding op grond van artikel 5:90 BW Pro en dat de regeling onjuist werd toegepast. De Afdeling oordeelde dat de schadevergoeding geen voordeel van roerende aard is en dat artikel 5:90 BW Pro niet van toepassing is.
Verder werd bevestigd dat de verdeling van de waardedalingsvergoeding tussen blooteigenaar en erfpachter volgens de koopgarantbepalingen moet plaatsvinden, ook als er geen daadwerkelijke verkoop plaatsvindt. De Afdeling vond de toekenning van 50% aan appellanten terecht en wees hun beroep af. De uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat appellanten recht hebben op 50% van de waardedalingsvergoeding conform de koopgarantbepalingen.